Hij is voor mij altijd een mysterie geweest. Vroeger hoorde ik de verhalen over mensen uit het dorp die speciaal voor hem helemaal naar het verre Amerika gingen. Wat dat precies inhield besefte ik nauwelijks, eigenlijk wist ik niet eens wie of wat hij was. Michael Jackson. Maar het was groots, dat was zeker. Zijn muziek sijpelde langzaam binnen in mijn leven, zonder dat ik er bewust mee bezig was. En toch deed het wat met me, er was iets raars aan de hand.
Ik kon er niet naar luisteren. Om het even welk nummer, die stem van Michael maakte iets in me los waar ik niet tegen kon. Als ik zijn gezicht zag werd dat gevoel alleen maar erger. Een pijn die ik niet kon plaatsen, die niet van mezelf was. Ik weet niet waar het vandaan kwam. De verhalen over hem, die hoorde ik later pas. Het paste in dat gevoel.
Nu Michael niet meer is blijkt de pijn weg te zakken. Nu kan ik zijn stem horen zonder dat mijn maag zich samentrekt. Alsof het goed is zo. Ik weet niet of het allemaal in mijn hoofd zit. Misschien heeft het niks met Michael te maken. Maar misschien toch wel.
Hij rijdt door de Peel. Ik houd van de Peel, maar als je er om acht uur ‘s ochtends doorheen komt en om tien uur ‘s avonds weer was het een lange dag. Al helemaal als je bedenkt dat ik heel die dag les gegeven heb.
Examentraining. Voor het vijfde jaar, maar als het goed is was dit de laatste dag. Want binnenkort gaat er een beurs voor mij worden aangevraagd, een beurs voor een promotieplek.
De laatste keer, en dat voelt raar. Enerzijds lucht het me op: de werktijden zijn lang en de druk is hoog. De pruttel die ik op het lab heb wacht wel een paar minuten, een kwartier, of desnoods een uur, maar voor een leerling zijn minuten lang. Voor mij zijn ze kort, als mijn concentratievermogen het af laat weten na al die uren werken.
Anderzijds zijn er de dankbare leerlingen, en de steeds weer nieuwe collega’s die allemaal hun charmes hebben. Dat nooit meer?
Hoe dan ook, ik hoop dat het de laatste keer was. Tijd voor een echte baan, die baan waarvoor ik ben opgeleid.
Voor in de trein knipperde:
Reuver.
Daar waren we niet, maar het stond er. De hele reis lang.
Bracht me terug naar een hele tijd geleden en ik was er niet eens
ooit echt geweest. Maar de herinnering bleef.
Ik probeerde er zo lang naar te kijken dat de letters zich om zouden vormen,
leeg en vlak zouden worden, zoals dat met de meeste woorden kan.
Maar het bleef er gewoon staan:
Reuver.
Met alle pijn.
Een wit vuur hing op het land. Het was de lentemist, die ons tot blinden maakte. In een heldergrijze wereld van kale bossen en koele woestijnen scheen de zon. Daar was het waar de vlinders vlogen en bloemen bloeiden, en mijn tranen om jouw oordeel vloeiden. Druppels op de bladeren als regenschermen. Op mijn rug in het warme natte gras waar de weemoed zich vervulde van licht, het leek op een gedicht. Een lach hing daar, op die plek van verborgen vertes en geuren van groen.
Maar ik zag het niet eens, want mijn trein, die vloog eraan voorbij.
Rusland. Het land van brede wegen en grote gebouwen. Je ziet de Griekse cultuur, maar ogenschijnlijk met nog meer rijkdom: zuilen, kerken, gouden daken, kandelaars en kaarsen. Hetzelfde alfabet, maar dan langer, en de taal is sterker, harder. Ligt altijd op het puntje van de tong. Russen zijn direct. Russen zijn harde werkers.
Land van de metro. Stations versierd, beelden en kroonluchters, warme wind, we ratelen tussen de muren. Het suizen maakt een gesprek onmogelijk, het leven gaat er hard. De geur van diesel en parfum. Vrouwen op torenhoge hakken en benen van ijzerdraad, vlechten als bloemen in het stijle haar. Bont. Precies zoals je Rusland verwacht.
Maar Rusland is ook Rusland. Het land van trappen met ongelijke treden, land van roestende hekken die nooit geschuurd, maar elke lente stomweg met dikke klodders overgeschilderd worden. De grauwe straten stinken, zand waait in je ogen en hoge hekken torenen uit boven de trottoirs. Geen groen, of hoogstens in de vorm van een vrachtwagen zonder voorruit: de bomen star en kaal, de bermen slechts uit modder. Het land waar je langzaam leest: Полиция, po-li-ts-i-ya en dan beseft dat twee paar ogen onder hoge petten je aankijken. Land van misplaatste trots, waar iedereen volgens eigen zeggen wel een nobelprijs verdiend heeft, maar gek genoeg nooit gekregen.
Armoede verraadt zich niet snel, maar toch zijn straten oud en de mooiste gebouwen blijken aan de achterkant vervallen. Een man zonder voeten kruipt rond met sandalen gebonden onder zijn knieën. Een vrouw zonder tanden. Een ander strompelt met een stok over het zebrapad, en heeft minstens drie keer groen licht nodig om aan de overkant te komen.
Op het onverharde plein een demonstratie onder kapotte rode vlaggen, maar de politie is in grotere getalen gekomen dan de demonstranten zelf.
Russen zijn harde werkers, maar hoe vaak de vrouwen ook poetsen, wat kapot is poets je niet weer heel.
Eigenlijk heeft Jack alles al gezegd over vliegen:
“Onder meej giet ‘t land vurbeej,
vliegtuug werkt zich umhoeg
Wolken door, nog twelf oor,
en ‘t zonlicht dat brandt in mien oeg”
In een paar zinnen. En ik merk nu pas hoe waar het is. Maar toch is het deze keer een beetje anders. Ik zit achterover, het licht in mijn gezicht en Limburg in mijn oren. Het is de zonsondergang. Het mooiste moment van de dag dat vandaag, voor mij, drie uur duurt. Daar, in de verte onder die zon ligt Limburg, Brabant, Nederland, en terwijl kleuren weerkaatsen in mijn appelsap weet ik wat ik schrijven moet. Er is veel te veel over Rusland te vertellen, maar dit is waar ik begin.
Ik maak een tekening af om er niet thuis aan gewerkt te hebben.
(Fragment: Jack Poels – Rowwen Hèze, ‘t Beste van 2 Werelden, 1999)
Die avond al was de noordenwind ijzig, en deed me denken dat ik liever binnen gebleven was. Maar de volgende ochtend leek alles anders. De velden waren wit, de lucht halfblauw en de trein raasde langs de sproeiers die boomgaarden in ijstuinen veranderd hadden. Het vliegen van het water, het blinken van de bevroren bomen in het witte licht. Wat zou ik graag even uit die trein gestapt zijn, naar buiten, en gerend hebben over het harde land, het koude water in mijn haar en mijn vingers glijdend langs de ijspegels, de ingevroren bloemen kussend. Kleddernat, maar betoverd.
Alleen als ik dan weer terug de trein in ging, zou ik wel graag in één keer opgedroogd zijn.
Ik luister naar het geluid van de accordeon. Het is onomschrijfbaar, ongrijpbaar. Kruipt langs mijn rug naar boven, kwispelt over mijn schouders en fluistert het welbehagen in mijn oor, verlangen in mijn hoofd.
Ik heb geen beelden nodig om het voor me te zien: die man met de lichten op zijn rug, het leven op zijn gezicht, voorovergebogen, gebogen over dat magische ding dat hij zo dicht bij zich draagt. Op zijn hart. Met welk ander instrument zou je dat doen? Hij draagt het op zijn hart en dat is wat ik hoor. Het geluid is niet warm, niet koud, niet zwaar, niet licht, helder of dof, het is stomweg precies waarnaar ik luisteren wil. En dat maakt het ongeduld in me wakker, het ongeduld voor die zekere dag waarop ik naar de muziekwinkel ga en thuiskom met zo’n ding. Mijn accordeon.
Ik weet niet of het genoeg zou zijn. Er is veel in het leven wat ik begrijp, denk te begrijpen, maar van die accordeon, die man met die accordeon begrijp ik nog altijd niets. Als een gat in mijn bestaan dat ik niet vullen kan. En toch moet ik een manier vinden. Toch zal ik ooit snappen wat er daar gebeurt, op dat podium, omdat ik door zal gaan tot ik weet hoe iets zo bitter kan zijn in pure pracht, omdat ik de waarheid moet vinden, moet voelen wat híj voelt. Ja, dat moet. Eerder kan ik niet sterven, want doorgeven wil ik het. We kunnen het doorgeven, hij of ik, aan de eeuwigheid. Het is te mooi om het niet te doen.
Ja, ik had er echt van gedroomd. Een paar weken terug was ik ‘s nachts op een concert van Rowwen Hèze en dat was best leuk. Maar in het echt is leuker. Nu was dat niet zo’n probleem, want ze zouden na twee jaar weer in onze – wat Rowwen Hèze-concerten betreft – thuisbasis Sambeek spelen.
Er was alleen wel een ander probleem. Er wilde namelijk niemand mee. Dat is niet helemaal waar. Er was één iemand die heel graag mee wilde. Zo graag, dat ze daar heus alle andere verplichtingen voor had afgezegd. Met liefde in die bierdouche was gaan staan. En er schijt aan had gehad als ze de volgende ochtend weer vroeg op had gemoeten, of het diezelfde week nog druk zou hebben. Er was echter één ding wat moeilijk te negeren viel. Die rug. Mijn lieve zus ligt nog steeds zo’n 20 uur per dag op bed en zo’n mooi zwak ruggetje kan je natuurlijk niet meenemen naar Rowwen Hèze, hoe treurig dat ook is. Dan kun je beter meteen naar het ziekenhuis gaan.
Dus wilde er niemand mee. En wat doet Esra dan? Nou gewoon, het lef hebben om alleen te gaan. Velen, inclusief mijzelf, verklaarden mij voor gek, maar ik zag al voor me hoe ik anders de hele avond op de bank zou zitten met zo’n slap gevoel in mijn onderbuik, alsmaar op de klok kijkend of ik niet nog zou kunnen gaan. Nee, dat stond buiten kijf. Dus ik zou gewoon gaan, want ik voelde me oud en wijs genoeg om de beproeving van bier en gebeuk te doorstaan.
Op een regenachtige donderdagavond stapte ik dan ook de boekenzaak binnen en vroeg om één kaartje. Dat vinden mensen raar. ‘Ga je met al je vrienden?’ Jawel, nog voordat ik er daadwerkelijk was was de eerste lullige opmerking al binnen. Maar ik had dat kaartje gekocht.
En gisteravond moest het dan gebeuren. Juist ja, op vrijdag de dertiende. Wat kon mij het schelen, op het lab had ik al zo veel pech gehad dat er haast niks meer bij kon – maar dat is een ander verhaal. Moederziel alleen liep ik de tent in, echter met rechte rug. Het begin was makkelijk. Garderobe, bonnen halen. Even een praatje met de merchandise, daar kennen ze me inmiddels met mijn shirt. En toen? Ik liep door die tent maar zag geen echt bekende gezichten. Nou oké, dan niet, ik ging recht op mijn doel af en voegde me brutaal op mijn vaste plekje, midden vooraan, waar het al aardig vol was maar dat is het voordeel van alleen zijn: je past er echt nog wel tussen. En even vriendelijk vragen werkt altijd. Dus had ik gelijk aanspraak. Op die plek bij het dranghek, tussen de rest van de harde kern, heb ik de hele avond gestaan. Eigenlijk heel leuk om die mensen een beetje te leren kennen. Beetje pronken met mijn shirt, nog wat nieuwtjes opvangen waaruit bleek dat zus niet de enige is met last van de rug. De bassist was namelijk van een paard gevallen. Auw. Maar hij was er, dus: muziek!
Het voordeel van dromen is dat je geen bier in je nek krijgt. Helaas kan ik de geur die om mij heen hangt niet uploaden. Anders zou ik jullie zeker even mee laten genieten. Het nadeel van dromen is dat je geen bewijsmateriaal hebt. Ik heb het, niet alleen in mijn nek. Ik was er, in mijn eentje, wie had dat ooit gedacht?
Maar zus, volgende keer gaan we weer samen. Want het is niet leuk om je thuis te laten.
P.s. Bekende gezichten waren er uiteindelijk genoeg. Deze wil ik jullie niet onthouden: boer Martijn. Boer Martijn? Dé boer Martijn? Ja! Dé boer Martijn, die van Boer zoekt Vrouw dus. Ik speurde nog naar een zekere Marlies, maar die kon ik niet ontdekken.