Toen ik de bladzijde omsloeg en mijn oog bij toeval op die naam viel schoten de tranen meteen in mijn ogen. Die letters. Na al die tijd. Ze veegden langzaam uit onder mijn wijsvinger terwijl ik mijn verdriet weg probeerde te slikken, probeerde te denken aan het simpele feit dat ik op zoek was naar het telefoonnummer van mijn tandarts.
Maar de pijn in mijn maag trok niet zomaar weg en hoe kon het ook anders, het verdriet van toen was niet verdwenen in de tijd. In tegendeel. De jaren hadden uitgewezen wat ik gedaan had. Dat ik een tweede kans nooit meer gekregen had.
Ik dacht aan zijn gezicht. In eerste instantie was hij me niet opgevallen, maar toen ontdekte ik zijn glimlach. Een glimlach die nauwelijks ooit iemand van hem kreeg. Behalve ik. En zo mooi. Ik had het zeker geweten, aan alles gezien: hij hield van me. De manier waarop hij me benaderde, waarop onze vriendschap zich langzaam ontwikkelde, eindelijk had ik iemand gevonden. Het was perfect, zoveel als we op elkaar leken en hoe we elkaar begrepen. Perfect en tegelijkertijd een probleem: hij was net zo verlegen als ik. En hoe dichter we bij elkaar kwamen hoe meer we elkaar ook hadden ontweken. Hoe meer we onze eigen signalen uit probeerden te wissen om maar niet te verraden wat we eigenlijk voelden. Zo bang om elkaar te verliezen als het allemaal toch niet waar bleek te zijn.
En toen moest hij weg. Halsoverkop.
Ik dacht aan die oude telefoon met zijn koperen draaischijf. Ik had op het punt gestaan om hem te bellen, met de zware hoorn in mijn hand. Als verlamd. Ik durfde niet.
Een jaar later verloofde hij zich met een ander. De enige hoop die ik ooit gehad had verbrijzelde voor mijn eigen ogen, ik had het gewoon laten gebeuren.
Ik was hem nog één keer tegengekomen, in Amsterdam, met zijn vrouw. Per toeval. Ik durfde niks te zeggen maar de halve seconde waarin onze ogen elkaar vonden was genoeg om zijn spijt te zien. En toch zou hij zijn vrouw nooit voor mij verlaten hebben, daarvoor leek hij te veel op me. We zouden beiden altijd de verantwoordelijkheid nemen voor de keuzes die we hadden gemaakt.
De verantwoordelijkheid die sinds toen mijn enige metgezel was. De verantwoordelijkheid die me ook nu gebood mijn tranen weg te vegen en het boek weer dicht te slaan. Met lege handen verder te gaan, al wist ik niet voor wie.
De straat in de schemering. Ik loop tegen de wind in na een prachtige avond. Mijn haar waait uit mijn gezicht, prettig, alles lijkt perfect. Lijkt, want het is hier te stil. Zo veel stiller dan in mijn hoofd, waar ik nog steeds het laatste liedje hoor. Een heel koor.
Ik weet dat ik de leegte kan vullen met mijn stem. Maar ik durf niet. Nóg niet, want ooit komt de dag dat ik hier lak aan heb. En gewoon gelukkig ga zijn, midden op straat.
“Ooh, when I’m old and wise
bitter words mean little to me
I’ll sing although the winds blow through me”
Ik stootte hem lachend aan met mijn arm. Het gras kraakte onder die beweging. “Je bent gek.”
Hij stootte terug. “Jij ook!”
“Dat is waar.” Het was even stil. “Maar jij bent gekker”, zei ik toen ontdeugend en ik prikte in zijn zij.
“Niet doen!” Hij ging een stukje verder van me af liggen. Ik prikte natuurlijk nog een keer.
Voor ik het wist zat hij bovenop me, zijn handen steunend op de mijne, boven mijn hoofd. Ik kon geen kant op.
“Wat wil je nou eigenlijk?”
Hij dacht even na en keek me geheimzinnig aan. “Een kus”, was zijn uiteindelijke antwoord.
Ik lachte. “Ik kan me niet bewegen, dus heb ik een keus?”
Ze ontwaakte van het ochtendlicht op haar gezicht.
De houten wanden herinnerden haar iedere morgen aan wat haar hier gebracht had. En ze dacht.
Ze schoof de lakens weg en keek naar buiten. En dan wist ze weer dat ze altijd weer perfectie vond in wat een nieuwe dag haar bracht. De bladeren van het bos in de zon. En dat ze steeds weer hoopte dat een man haar zo zag, iemand waarin ze ook iets vinden kon.
Het leven had haar dan wel gehard, maar je kan niet altijd wegrelativeren wat je niet had. Wie was ze dan, als ze niet van een man kon houden? Ze voelde dat ze alles in zich had wat haar menselijk maakte, dat ze weg moest, niet altijd alleen kon blijven hier.
De grote stationsklok springt op negen over elf. Dat het eigenlijk kwart voor vier is doet er niet toe.
De trein staat stil in het zomergroen. Wagonnen in de kleur van de Deutsche Bahn, crèmegeel met donkerrood. En mensen verdringen zich achter de ramen, hoofden hangen naar buiten. Fotocamera’s klikken.
De zon valt op het zilvergrijze pak van de – overigens prachtige – bruidegom, die uit zijn Dampfzug stapt. Zijn blik leidt via het idyllische lage perron, aan de zijkanten begroeid met keurig gemaaid gras, naar de – overigens ook prachtige – bruid. De bruid die in de verte op hem staat te wachten, met haar vader. Een grote witte parasol zweeft boven haar hoofd, zilveren bruidsboeket, haar lange witte jurk licht op in de zon.
Het gebeurde toen ik op de bank zat. Er bewoog iets in mijn ooghoek, buiten achter het raam.
Het was water. Water! Splash. Splash. Splash.
Hij was terug! Ik rende naar buiten en omhelsde Hapsel.
Nee, natuurlijk rende ik niet naar buiten. Hapsel omhelzen is levensgevaarlijk en bovendien ijskoud. Naar Hapsel kun je beter kijken. Kijken hoe hij zijn territorium afbakent met zijn schuine mond. Hoe hij angstige blikken vangt van fietsers, maar eigenlijk net niet op het fietspad sproeit. Hoe de schemer over zijn sissende kop valt, hoe hij zich aan zijn rubberen staart naar achteren laat trekken door het veld, heel langzaam, en tenslotte midden in de nacht in slaap valt.
Hij kent zijn eigen kracht niet, maar oh, het is zo’n lieverd.
De sleutels brandend in mijn zak. Een raar idee, dat ik zo’n grote verantwoordelijkheid bij me droeg in de vorm van zo iets kleins, iets wat je zo makkelijk kunt verliezen of kwijtraken. Maar ik zorgde wel dat ik zeker was dat ze er nog waren. Ik liep nog maar wat harder.
Voor de deur hield ik stil en pakte de juiste sleutel. Ik voelde de ogen van iedereen op straat in mijn rug prikken. Een meisje dat de deur van zo’n groot gebouw openmaakt, wat zou daar achter gaan? Wie is zij?
Ik zette de deur open en liep de hal in. Even dacht ik dat ik, door de geluiden van de straat heen, gezang hoorde. Voorzichtig opende ik de tweede deur.
Donker, leeg en vooral stil. Natuurlijk was er geen echt gezang, als er mensen binnen zouden zijn, waarom had ik dan een sleutel? Elk gebouw draagt de geluiden bij zich die het toekomt. Ik liep de dagkapel door en opende de glazen deur. De kerk leeg, het groene licht dat door de ramen op de rijen van stoelen en banken viel. De geur van hout, stenen en wierook.
Huis van God, maar zo zie ik het niet. Huis van inspiratie, dat is het voor mij wel. Ik heb me nauwelijks ergens in mijn eentje zo op mijn gemak gevoeld als op dat magische moment dat ik in de hoek van de kerk stond, me verbazend over de kalmte die je kunt vinden midden in de stad, met een glimlach om mijn mond. Blijkbaar is de kerk ook een thuis.