Op het vliegveld van Weeze rijd ik recht het Duitsland van de Tweede Wereldoorlog in. Een kazerne in een kaal bos, met afgetakelde gebouwtjes en een heuse raketwerper – mét raket, en geen kleintje ook.
Het vliegveld zelf ligt in een dorre vlakte. De hei is grauw.
Ik denk aan het eerste groen in de jasmijn, de eerste narcis, de eerste vlinder. De bomen die nu langzaam gaan bloeien, het gras dat begint te groeien, en de paardenbloemen die nu op hun mooist zijn. Ik vergat te genieten van die paardenbloemen, dacht alleen: als ik terug ben al niet meer. De lente gaat nu zo snel, het is te mooi om te moeten missen.
Maar ik zou niet moeten klagen, hier in Madrid.
Het bos kent vandaag louter zwart en wit. Ik dacht dat de winter wel afgelopen zou zijn, maar dat dacht ik al zeker vier keer. Totdat ik steeds de vlokken weer op me neer zag dalen. Het sneeuwde hier vandaag zo lang, dat het land de strijd uiteindelijk opgaf en maar wit werd ook. En mooi is het. Alleen, de wind is zo koud als je op de lente rekent.
De sneeuwklokjes zijn er weer bij gaan liggen, en daardoor met een laagje sneeuw bedekt. Het is nu pas dat ik begrijp wat voor slim staaltje natuur dit is, want onder de sneeuw zal de temperatuur niet veel verder dalen dan het vriespunt.
Als over een paar dagen de zon weer schijnt, komen ze vanzelf weer overeind.
De mooiste tijd van het jaar is misschien wel dat prille begin van de lente. Als het al wat eerder licht begint te worden. Als de zon voor het eerst warm is, maar de lucht nog koel, evenals de kleuren van de avondhemel. Een gloednieuwe, frisse wereld strekt zich vanonder een dun laagje rijp uit naar de zomer, die nog zo lang lijkt te duren dat hij misschien wel nooit voorbij zal gaan. Maar ik denk nog niet aan de zomer. Ik denk nog niet aan zengende hitte of zoemende muggen. Liever loop ik door de laatste winterdag, met warme tenen en mijn dikke jas, de zon op mijn gezicht.
Langzaam komen blauwe luchten aangedreven. De zon breekt door en werpt haar schaduw. Een lang verhaal.
De witte wereld glinstert in het gele licht. En dan begint het. Druppeltjes vallen als blinkende kristallen van de daken, langs de ramen, op de grond. En druppels worden stralen die de wereld strelen. Water gutst langs de ramen en vervormt de frisse kleuren die waarschijnlijk heerlijk koel geuren. Het is de dag waarop de huizen baden in smeltende sneeuw. Het voelt als nieuw.
Ik klop de sneeuw uit mijn sjaal en wrijf door mijn gezicht. Wangen vol vaseline, maar ondanks dat voel ik de vlokken smelten tot koude druppeltjes op mijn huid. In mijn haar waait de wind, die zich niks aantrekt van de dikke nepbonten muts op mijn hoofd.
Bah. Het helpt om bah te zeggen. “Bah, bah, bah”, roep ik hardop tegen het snijdende oosten. Koude tenen. Het ijs zucht en kraakt, geluiden schieten onder me door van links naar rechts en van rechts naar links. Schel, maar toch steeds doffer naarmate het ijs meer sneeuw draagt. Ik buk me en ga verder. Waarom? Ik heb geen flauw idee.
Als ik aan het einde ben draai ik me om. Dat is het probleem: met de wind op de rug ga je vanzelf. De armen gespreid. Je hoeft niets te doen als sturen, slalommen langs de opgewaaide sneeuwhopen. Skiën op ijzers. De zon breekt langzaam door. En als ik terug ben bij mijn schoenen voelt de dag zo heerlijk dat ik nog lang niet weg wil. Dat is het probleem: ik begin dus weer opnieuw.