Om niet te vergeten
Dit is beste van Silhouetten in de Schemering, gekozen door de lezer. En door mij op een rijtje gezet, in een lijstje aan de muur gehangen. Opdat het niet verstoft op de digitale zolder.
Het breken
Je rende, je huilde, je woede
het verdriet om niets
dan liefde
en dat wist je.
Je sliep al toen je hoorde
van het geluk:
je leegte werd je stilte, je warmte, je lachte.
Niet alles kan eerlijk zijn.
‘s Morgens lazen daken voor uit hun boeken vol regen. Iets later werd het helderder, takken vouwden zich naar het nieuwe licht.
Het dorp wachtte niet op verhalen. De druppels losten op in lucht zonder slag of stoot. De straten werden droog.
Als de zon op zijn hoogst stond, schuilden ramen achter luiken die groen of blauw waren en scheef hingen, een paar van de gekleurde bloemen in bakken tegen het kozijn klemmende.
Bankjes waren leeg. Geen schoorsteen die naar wolken wuifde. Het was doodstil. Zelfs de wind stond niet op een briesje, gestopt door de hoge poorten en muren zonder punten.
In hoeken verzamelde zich het stof van planten die tussen stenen groeiden. Op een gebarsten schoorsteenmantel lag het vergeelde boek waar niet in was geschreven.
Ik weet dat je nog keek
en zwaaide, toen ik weg was. Het geheim dat in mijn ogen lag had zich verscholen achter de vage spiegeling van geluk. Je waardeerde de glimlach die mijn verhaal een moment onthulde. Blijkbaar zag je niet hoe leeg ik was. Er blonk iets van een leugen in mijn blik.
-
Als je het had geweten, dan was alles anders geweest. Zoals nu, twee kille woorden, de korte lach die niets vertelt. Toch weet je van niets. De leugen leeft nu boven me, waar hij zich onttrok aan ons beiden. Niets heeft nog met geluk te maken. Die ene blik was een moment dat zich niet hoorde te herhalen. En de reden dat wij dat allebei weten, heeft nooit bestaan.
Jij en trypsine
Het is echt oktober nu en Bløf heeft altijd gelijk.
Vandaag had ik practicum, kort, maar als gewoonlijk leuk. Totdat jij binnenkwam (ik schrok), of meer tot je weer wegging; je was er maar even maar lang genoeg om langs me heen te lopen, precies toen die belachelijkmakende opmerking kwam.
De assistent voelde exact wanneer hij hem maken moest; ík voelde hem al die tijd al aankomen en jij lachte.
Om de grap en mij, misschien ook niet maar het maakt dat ik in het hoekje van een donkere kelder wil gaan zitten, opgetrokken knieën, waar ik je uit de lucht schrijf, in het verdwijnpunt teken en doe oplossen tussen degenen waar ik wel wat aan heb. Je smelt in de muziek.
De vlam die ik gebruikte heb ik uitgedoofd.
Olie, roet en ijzer
Hij veegde zijn donkerblonde haar van zijn voorhoofd. Hij voelde de diepe snee in zijn vuile, bebloede vingers. Zijn gezicht en haar waren stoffig en vettig. Het was zo al zo vaak gegaan. De vele littekens op zijn handen vertelden het verhaal.
Het geraas van de machines overstemde zijn pijn. Door de ramen kwamen een paar zonnestralen die de grauwe ruimte zwak verlichtten. Hij hoestte. De lucht was zwaar en bedompt, binnen niet erger dan buiten waar honderden schoorstenen in de geelbruine wolken ademden.
Doodmoe was hij, maar hij pakte zijn werk weer op. Met al zijn kracht bediende hij de metersgrote katrollen. Hij wist dat hij hier zou sterven. Zoals zijn vader hier stierf, zoals zijn grootvader en zijn overgrootvader hier stierven. Zo was het. Hij dacht aan zijn kinderen. Zijn drie dochters, die hij nauwelijks zag: hij werkte alle dagen. Als hij ‘s avonds met een paar centen thuis kwam, was hij zo moe dat hij meteen ging slapen.
Dat was het leven. Hij was blij met het werk wat hij deed. Eénmaal was hij in de nabij gelegen kolenmijn geweest. Precies zulke katrollen als degene die hij nu bediende, hadden hem ver in de grond gebracht. Dieper en dieper. Het was er nog duizenden keren donkerder dan in de hoge fabriekshallen. Het beklemde hem. De mannen in de mijnen waren bang, had hij gevoeld. Ze hadden geen keus: alle dagen waren zij daar beneden in de smalle, doodlopende gangen, afhankelijk van de krakende lift. Hij zou nooit vergeten hoe die dag de oorverdovende schreeuw had geklonken van een man die werd gedood door een instortende steunbalk. De weg terug omhoog, terug naar de donkerbruine dag, was eindeloos geweest.
Hij probeerde het te vergeten en vocht verder. Zijn gestreden lijf droeg zijn zware en gespierde romp. Het vuile zweet liep langs de bruine, kloppende aderen in zijn hals en armen. Zijn handen tot machines geworden, die op dezelfde ogenschijnlijk eenvoudige manier als het draaien van zijn sigaret de kettingen bedienden.
Die avond was de zoveelste avond waarop hij zijn lichaam naar huis droeg en wist dat de volgende dag weer zo lang, donker en moeilijk zou zijn. Maar toen hij dit keer in zijn kleine huis kwam, kuste hij zijn dochters met zijn zwarte lippen en hij omhelsde ze. Hij voelde de kracht van het doel dat hij had. Hij zou voor ze zorgen zo lang hij kon, hoe zwaar het ook was in deze wereld vol stof en roest. Toen hij sliep voelde hij het kloppen van de wond die hij die dag had opgelopen als bewijs voor wat hij had gedaan. Zijn gerimpelde gezicht lachte in de korrelige nacht.
Zandstralen
In de krant las ik dat ik me voor jou zou gaan verbergen.
Het raakte me niet. Gevoelloos wachtte ik in de wind tot je de trein uit was, het perron af en tussen de menigte verdwenen. Geruisloos verdween ik tussen de struiken als je uit de schemering opdook.
Het ging bijna vanzelf. Als ik snel het toilet in liep om de argeloze vlekken op mijn huid te camoufleren, was je al weg als ik terugkwam. Ik schoof je voor me uit door de grijze dagen.
Steeds minder dacht ik na als ik van links naar rechts over de straten werd geduwd. Steeds dichter kwam ik weer bij je. Je had niets in de gaten.
Ik kende het schild dat om me heen was gebouwd, ik wist steeds zekerder dat deze kracht ook rond jou gegroeid was. Altijd keek je strak voor uit je uit, je handen rond de blinkende boeien gevouwen. Een triomf kreeg controle over me. Ik dacht niks, maar begon te lachen. Ik lachte om de belachelijke boeken waarin je je verschuilde als ik bij je zat, om de loodzware paraplu die je niet tegen de regen, maar tegen mij beschermde.
Het lachen werd schreeuwen. Ik bleef met je mee lopen. Mijn stem schreeuwde zonder dat ik mijn mond nog open deed. Ziekelijk gillend rende ik tenslotte achter je aan.
Toen draaide je je om.
Mutatio immutabilis
De kou is terug. Onvermijdelijk, onbedwingbaar,
snijdend in de diepte van je lichaam.
Je laat je bevangen, teneinde.
Hij tekent het verlangen en de hoop op je huid met scherpe pennen, krassend, de littekens achterlatend.
Besmettend.
Je blijft voor altijd wachten op het rinkelende ijs, de witte zon, de lage verte
en de pijn van het smelten.
Buiten de muren
Je liep weg. Je had kwallen in je haar, zag ik nu. Ik viste het papieren hoedje van mijn neus en schreeuwde.
“Ja! En als je dat niet begrijpt, ga dan voor mijn part in de schoorsteen wonen met die verkoolde tenen van je!”
Je been schoot uit de kom. Op het andere hinkte je met een grote boog om me heen, weg van de gillende kikkers die over de grasballen stuiterden.
Ik stond op mijn handen en verloor mijn evenwicht. Terwijl ik viel, riep ik je nog na dat je vast nog nooit op een pelikanenrug gezeten had, overtuigend blauw als je was.
Toen belandde ik – uiteraard – midden in de zacht borrelende vleeskuip. Terwijl ik tot mijn navel samensmolt, greep ik naar een leeglopend koeienoog en ik smeet het in je nek. Een moment stond je stil onder de slaande molenwieken en het oog gleed over je rug naar beneden, groene draden achterlatend.
Je draaide je langzaam weer terug en ik zag dat je je laatste snaar doormidden geslagen had, samen met het krakend hout dat als gif uit je mond droop.
“Je hebt geen flauw idee wat je allemaal aan het doen bent”, kwispelden je venijnige oren.
“Okee, okee,” zei ik nog, “je mag mijn tanden hebben.”
Wadlopers
Treinen rijden weer door de herfst. Wadlopers heten ze. Geel, blauw en groen en wit, tussen het roodgekleurde loof langs de Maas, het vloekt.
En ook zonder vierkante wielen kunnen ze heel goed stilstaan. Voor het sein dat niet groen wil of omdat de motoren stomweg geen zin meer hebben.
Maar toch, iets in mij wordt warm als ze daar rijden door de kou. Wat het is, ik kan het niet ontcijferen en ik weet niet of het belangrijk is; ik voel me gelukkig.
Ze zijn zo kolossaal en lang, en ernaast voel ik me niets maar toch belangrijk: ik mag mee. En het leven krijgt weer perspectief als ik wegraas over de rails die dichter en dichter bij elkaar komen zoals mijn station het ziet. Echt ver kom ik niet en ik ga altijd terug. Maar die bielzen die ik voel, zij zijn ontelbaar, en mijn liefde is dat ook.
Misschien zal ik het missen straks, als er kille nieuwe rijden. Of misschien hebben ook zij verwarming.
Ik ben zo benieuwd.
De nacht begon
Aan alle kanten leken de bomen nu groter, imposanter te worden. Weer draaide ik me om. De zon stond laag, schaduwen vingen me in hun opgeheven klauwen.
Ik dacht aan de manier waarop de vogels juist nog gekwetterd hadden. Ineens was het stil. De takken wachtten hun kans het likkende zonlicht eindelijk van zich af te slaan, geruisloos.
Ik was alleen. Ik ging zitten en dacht na. Het werd kouder, de hemel mooier dan ooit, rood als de kreten in mijn hoofd. Ik riep. Jou. Je was er niet.
Een vogel fladderde uit je grip.
De Brug
Het is leeg. Het is stil. Van binnen.
Zo leeg en stil, dat het pijn doet. Fysiek.
‘Iederien het meij van die daag, dan hedde krampe in ow maag
en enne kop vol met beton’
Hij kon er een lied over schrijven. Ik niet. Het zou niet eens zinnig zijn.
Je kunt wel eindeloos je voorhoofd fronsen of vingerafdrukken tellen, maar dat is het niet.
Het gaat om het verschil tussen nu en straks. Een verschil dat er niet is. Niets verandert. Ik blijf alleen met de hoop.
Morgen zit ik weer hetzelfde te pingelen, voor niets en niemand.
‘En de moan lachte meej oet’
Laat me het nou delen. Alsjeblieft.
Want toch: als ik zing, is het allemaal een beetje mooier. Als ik huil, is het een beetje van geluk en een beetje van verdriet.
(Fragmenten: Jack Poels – Rowwen Hèze, Station America, 1993)
Like blackened pearls
En ik weet niet wie ik ben.
Zomaar.
Er zaten koeien in de sneeuw. Ze aten geen brood, ze zongen geen lied. Gelukkig niet.
Zonder woorden wil ik zeggen en ik haat het als iets zomaar rijmt. Ik weet het gewoon niet. Morgen is het geen zaterdag en dat geeft niks. Morgen liggen bladeren in de goot net als gisteren. Ze rotten nog niet maar dat komt want het regent.
Wist je dat er geen randen aan mijn gedachten zitten? Als ik ze had zou ik ze versieren. Met krullen en kleuren, warme kleuren waar je zo een bad in zou willen nemen.
Er gaat geen licht op. Dat is alles.
Hout kan ruw zijn. Als je splinters wilt, moet je dat hebben. Het is iets voor aan mijn kist.
We klagen niet
De dagen werden rond in onze hoofden, zich herhalend. We werden aan ons haar door de tijd gesleept. Maar we bleven de waarheid ontkennen.
We zeiden dat we van de raadsels hielden die zich af bleven spelen omdat we eigenlijk niet begrepen wat we deden. Diep van binnen maakten ze ongelukkig, maar we sloten onze monden.
We dachten stuk voor stuk dat we de enige waren.
Zo ging het. De stilte was bedompt.
En op de één of andere manier, hoe dan ook, maakte het dat ieder om zich heen begon te kijken. Toen we onze ogen openden troffen we een chaos aan. Maar we hadden handen om de jaren op te ruimen. We voelden dat het kon, als we het samen deden.
En nu zien we dan eindelijk dat iets nieuws in het zicht komt, dat een lente zich aandient, dat we mogen praten over de manier waarop we de kale muren zullen opvrolijken.
We nemen de woorden gulzig tot ons. We zingen het verleden naar de bodem en spelen in de verse lucht.
We lachen.
The smell of spring
Jantje
Jantje zag eens pruimen hangen,
o, als eieren zo groot.
Hij at ze op en hij genoot,
en niemand die ‘t hem verbood.
Als men eens liep, door ‘t grote bos, zag men hem zitten op een bank,
of liep hij kranig zonder hoed.
En als hij in het struikgewas verdween, dan hoorde men men zeggen:
“Dat was Jantje, Jantje ruist.
En dit woud, dat is zijn thuis.
Van twijgen maakt hij hier een huis.”
Jantje sliep, daar in zijn bos. En met de vogels stond hij op.
Hij liep en kraaide van plezier, heeft daarmee de hanen gemanierd.
In de steden was hij nooit te vinden
en de mensen had hij nooit gemogen
want op zijn jonge jaar had hij reeds lang gezien
dat zij elkander liefst bedrogen.
Maar Jantje was beleefd en sprak met twee woorden
en wist ondanks de eenzaamheid wat er van hem moest komen.
Want als men vroeg, wat hij, als hij groot was dan wel worden wilde,
dan hoorde men hem zeggen
wat hij niemand uit heeft hoeven leggen:
“Eerlijk, alstublieft.”
Sarah is back
Het is gemeen en ongrijpbaar. Je kunt vanalles vastpakken, maar het krullen van je vingers heeft geen betekenis. Elke handeling is leeg.
Je bent er wel, maar voelt alleen de oneindige verte van je leven en de zoute strepen op je gezicht. Datzelfde laatste beetje voelen mag niet, nóóit wegtrekken en je handen worden klauwen die willen scheuren en breken. Maar dat is laf en heeft geen zin. In gedachten zit de schaar al in je haar en het mes tussen je ribben.
De accordeonmuziek geeft de doorslag. Het is onbereikbaarder dan ooit.
Haat me. Ik ben weer veranderd in iemand die het denken niet aankan.
Red me niet; het is allemaal niet waard.
Zwart
De nachten zijn stil
en de herfst die was glad
dus in mijn hoofd ontglipten
alle woorden me zowat.
Zwarte gaten
De wereld is niet vergaan. Er is geen zwart gat ontstaan en we zijn niet met zijn allen ingeklapt tot een moordend stukje verdwijnpunt van 8 millimeter in doorsnee. Gelukkig. Toch?
Want we willen nog lang niet dood. Maar misschien was het allemaal zo slecht niet geweest. Er zit eigenlijk allang een soort zwart gat in het leven op deze planeet.
Haat, honger, oorlog, ziekte, pijn. Dat alles zou in minder dan een seconde weg kunnen zijn.
Maar ach, waar hebben we het eigenlijk over. De mediahype is alweer zo goed als voorbij. LHC zal, ondanks dat hij al deze ophef veroorzaakte, nog vele malen gebruikt worden. Niks aan de hand en niemand die er nog bij nadenkt.
Tot de dag dat het CERN een kersverse natuurwetenschapster aanneemt, die per toeval een klein foutje maakt…
Niemand die zich mij ooit zal herinneren.
In perspectief
De bomen zijn git, gitzwart tegen de avondlucht, zwarter dan inkt, contrast- en diepteloos, plat in hun perfectie.
Totdat de trein gaat rijden. Takken bewegen, kunnen hun vorm en pracht niet langer onthullen: het alle kanten op steken, de geordende willekeur maken het bestaan ervan echt.
Het is de trein, de trein, de trein waaraan je je ooit voor het eerst overgaf, overgave werd vertrouwen, vertrouwen werd liefde en liefde maakt alles mooi. De bomen zijn prachtig maar niet zo volmaakt als de seinpalen die nu en dan voorbij komen en de aandacht afleiden in al hun schoonheid en betekenis. Statisch, statig maar beweeglijk door het rijden van de trein.
De seinpalen volmaakt, de lichten op groen; het allermooist is en blijft het sporadische geraas van een tegenligger, het bijna kunnen voelen van de rukkende wind als ademhaling, het trekken van de strepen die op de ruiten schrijven hoe hard het leven gaat.
Zestigduizendvierentwintig ton
16 juli
Werkelijk. Werkelijk niet te geloven dit.
BAH!
Het kruipt door alle kieren naar binnen. Laat staan dat ik nog naar búiten durf. Sinds de kleine twintig jaar dat ik hier woon heb ik nog nooit zoiets meegemaakt. En dan mogen we nog blij zijn dat de wind van ons huis áf staat.
Hoewel hij volgens buienradar precies hier een rondje heeft gedraaid. Wat een fantastisch moment om een rondje te draaien.
Volgens mij heeft er iemand diarree. Zoveel stront heb ik nog nooit in een weiland zien verdwijnen. Ik wil erom wedden dat het vannacht in de sloot staat. Hier zit Al Qaida achter.
De komende maand sluit ik me op in huis. Kan ik in de tussentijd dreigbrieven sturen en stinkdieren. Vervolgens ga ik zes dagen in bad zitten. Misschien durf ik me daarna weer te vertonen.
De stank. Ik krijg er krampen van in mijn pols. Ik ga vast bellen dat de piano overmorgen opnieuw gestemd moet worden. En hopen dat de toetsen niet kromtrekken van afschuw.
Het is buigen of barsten. Als de ruiten maar niet springen. Dan overleven we het niet. Ammoniak slaat op je longen.
We moeten een overdruk in ons huis aanleggen voor dergelijke rampscenario’s.
Zonder zin
De stilte vraagt om een verklaring
maar ik ben leeg en antwoord niet
kale muren, hoge ramen,
geen handvat dat een uitweg ziet.
Om me heen liggen mijn woorden
lachend om mijn open mond
een puzzel tot verlies geworden
zo dicht bij me op de grond.
Ik buk me om het op te rapen
scherven snijden in mijn hand
ik kan niets meer, de wonden gapen
star, verstomd, mijn ziel verbrand.
Bezwaar
Jullie de aarde,
Ik werd de maan.
Zo overduidelijk die
grillen, zo onzichtbaar
is haar aard: de maan, zij
die met zoveel zilveren ogen
verborgen ongelukkig, ongelovig
de drukte kan zien om zich heen.
Zij blijft toch altijd en onvermijdelijk
alleen.

