Er steekt een bol grijs ding boven een stoel uit. Dat is het enige wat ik zie. Het lijkt op het kale hoofd van een alien. Het zou ook iemand kunnen zijn die een hoed draagt. Maar dat is het niet. Het is een alien, een grote grijze zachte, en ik ga bij hem zitten.
Elke alien kan Engels, dus ik vraag hem: “What is your name?” Dat had ik net zo goed niet kunnen vragen, want hoewel ik antwoord krijg blijkt zijn naam een cryptisch gebrabbel te zijn dat niet na te vertellen is. Opschrijven kan hij het ook al niet. Maar dat geeft niet, want hij is groot, grijs en sterk en hij begrijpt mijn naam wel. En ik mag hem Piet noemen. Ik vraag of hij met me wil trouwen. Hij zegt ja. We rennen de trein uit, tentakel in hand, trouwen onder de sterren en gaan de hele wereld over. Samen. En als we alles, echt alles gezien hebben, gaan we naar zijn planeet, waar alles nog duizend keer mooier is. En we leven nog lang en gelukkig.
De grijze bol beweegt. Ik zie de rand van een hoed. Jammer.
Het was wit boven me. Ik legde mijn hoofd in mijn nek en verwonderde me over de zee van zilver tegen die blauwe lucht. Het oude zwarte kersenhout droeg de pasgeboren bloemen, het jonge groen dat hier en daar voorzichtig tevoorschijn kwam. Mijn schouders verkrampten, maar de schoonheid had me overmeesterd, dus ik bleef kijken. Hommels en bijen dansten op het dekbed van dons. Stuifmeel in mijn ogen, licht op mijn gezicht. Zonlicht, dat door de blaadjes heen leek te vallen en elk detail onthulde. Fris en onaangetast.
Perfectie.
Ik was op de vloer en keek naar mijn blote voeten. Zittend was ik, maar kaarsrecht. Eén arm als een slang in de lucht.
Het lage, diepe geluid van een temperamentvolle slag op de piano bereikte mijn oren. Dat was het moment. En terwijl zijn sterke vingers langzaam maar zeker vaart vonden over de toetsen, stond ik langzaam op, hief een voet langs mijn knie en draaide op mijn tenen een pirouette. Een pirouette die duurde en duurde, omdat hij hem droeg. Mijn jurk sprong op de beweging van mijn benen. Mijn armen zwaaiden, drukten, omhelsden, raakten plots de grond toen ik, geduwd door de kracht van de snaren, een radslag maakte. Rechte rug, verheven schouders. Ik had niet eens tijd om te kijken hoe hij aan de piano vrat als een hebberig dier, hoe hij niet stoppen kon, de zweetdruppeltjes zijn haar plakkerig maakten, bitterzoet smaakten rond zijn mond. Hij sloeg, sloeg, opgestroopte mouwen en zijn handen als hamers.
Eén traan in mijn oog, een pluk haar uit mijn staart. Ik ging door, mijn lichaam warm als het zijne. Ik vouwde, droeg, reikte naar de hemel en toen de muziek in volume minderde, stond ik uitgestrekt onder de lampen. Mijn voeten bewogen zich uit elkaar. Op de laatste noten zakte ik in een spagaat, mijn gezicht naar boven gericht, een lach van tweespalt op mijn lippen. Een prachtige pijn als deze had ik nooit eerder gevoeld.
Drie minuten waren we samen geweest, maar toch meters van elkaar.
Hij was er ook: de heer uit Gent,
ik herkende hem direct
al was ik wat teleurgesteld op dat moment.
Zijn haar geknipt,
een nieuwe bril,
een lachje kon er niet vanaf,
hij leek zo oud ineens.
Waar was die leuke vent?
Maar toen het bijna tijd was om te gaan
keek hij me,
op het nippertje,
toch nog even aan.
Zie, hij heeft me wel herkend.
Ik haat het dat het terugdenken nog bestaat, dat ik wel terugdenken moet. De ets in mijn hoofd, waarin jouw lijnen onherroepelijk uitgebeten zijn. Je kleine tekeningen, je grootse denkbeelden, een kerk hoog in mijn hemel waar ik veel gebeden heb. Een gebed tot het leven. Ik geloofde. In jou.
Maar nu zijn daar die dikke bebraamde krassen die je zonder nadenken zette, de naald die als een speer door mijn lichaam boorde. Een enorm kruis door alles wat je maakte, in één seconde, niet meer dan dat. Nee, niets is uitgewist, het is er allemaal nog, inclusief je onvoorspelbaarheid die ik nooit begreep, maar waarvan ik niet, geen moment had kunnen denken dat die tussen ons in zou komen te staan. En toch was dat precies hetgene dat alles kapot maakte. Een muur waar ik niet omheen kon, hoewel ik mijn vuisten erop kapot sloeg.
Omdat het blijkbaar niet kon. Of omdat je toch niet was wie ik dacht. Maar ‘s nachts houd ik nog van je.
Ik liep de coupé in en ging zitten op de eerste de beste lege plaats. De zon scheen er recht in mijn gezicht en meer dan silhouetten van de mensen om mij heen zag ik niet. Ogen half dicht en ik probeerde vooral niet te denken aan mijn lege maag, die me moe en wiebelig deed voelen.
Plots zag ik hoe degene naast me een beetje aan zijn wang begon te plukken. Het irriteerde me een moment – zoals alles mij irriteert als ik moe ben – maar die ergernis was ook meteen weer verdwenen toen het me opviel dat deze persoon er best wel zijn mocht. Best wel erg zelfs.
Binnen een ogenblik was mijn hoofd vol chaos, van spreek deze jongen aan nee niet hier waar iedereen bij is maar je moet het wel doen vraag gewoon iets wat als hij me afwijst ik kan niet nadenken als ik moe ben wanneer zou die kerel tegenover me uitstappen ohnee mijn nieuwe liefde pakt zijn ovchipkaarthijgaatweg.
Hij stond op, ik keek hem aan, hij keek naar mij en ik voelde hoe mijn blik wegschoot, ik mijn armen nonchalant over elkaar gooide, nog wat verder in elkaar zakte en mijn ogen sloot. Niks gezien, wanneer zou ik iets gezien moeten hebben of iets voor iemand voelen?
Een gestalte verdween tegen de ondergaande zon. Dag, mooie jongen. Dag, honderdzoveelste kans.
Woensdag, 19:54
Ik zit in de trein met allemaal andere studenten met koffers. Studenten voor wie het al weekend is, of studenten voor wie de week nog beginnen moet. Maar voor mij niet, want ik ben de enige die naar Zürich gaat.
Woensdag, 22:16
Ik zit in de trein met allemaal andere studenten met koffers. We gaan allemaal naar Zürich, maar ik ben de enige die een hokje voor zichzelf heeft. Ik doe het gordijn open, en zie Duitsland in de nacht. Boven mijn hoofd wiebelt een spook. Het is mijn eigen jas.
Donderdag, 8:59
Ik zit voor de tweede keer te ontbijten, en voor de tweede keer met een croissant. Ik weet nu al dat ik dit ga missen als ik thuiskom.
Donderdag, 10:42
Wow. Heb je dat gebouw gezien? Hadden we dat in Nijmegen maar, nee, onze campus is maar zielig als je het zo bekijkt.
Donderdag, 17:08
Wow. Heb je die apparatuur gezien? Zie bovenstaande opmerking. Al hebben wij natuurlijk wel de sterkste magneet. Maar daar heb ik zelf vrij weinig aan.
Vrijdag, 11:19
In Basel weten ze ook hoe je mooie gebouwen maakt.
Vrijdag, 18:01
We staan in een stampvolle trolleybus met een chauffeur die een half Schwyzerdütsch cabaret over ons uitstort, we moeten allemaal onze buik inhouden omdat de bus anders te zwaar beladen is.
Vrijdag, 21:21
Ik zit aan tafel met een heleboel studenten, en ik ben de enige die zijn toetje niet eet. Maar daar weten de anderen wel raad mee. Ondertussen richten we een band op.
Zaterdag, 11:52
We lopen langs het meer in de stad en maken foto’s. De zon brandt. Vakantie.
Zaterdag, 19:44
Ik zit in de trein met allemaal andere studenten met koffers, maar ik ben de enige die het raadsel heeft opgelost. De bedenker en ik liggen in een deuk terwijl de rest moeilijk kijkt.
Zaterdag, 21:35
Ik ren heel hard om Veolia te halen. Gelukkig heb ik net iets meer dan één minuut.
Zaterdag, 21:38
Ik zit in de trein. Andere studenten? Niet op zaterdag zo te zien, of anders ben ik de enige die een koffer heeft.
Al jaren word ik geteisterd door jullie slechte samenwerking bij de aansluiting tussen de stoptrein Roermond-Nijmegen en de sprinter Nijmegen-Deurne, en vice versa. Een aansluiting van één minuut, dat is toch pure pesterij? Het is maar goed dat ik niet geteld heb hoe vaak ik als een debiel door de Nijmeegse stationtunnel gestormd ben, om mijn trein vervolgens weg te zien rijden.
Dat half uurtje wat ik dan wachten moet vinden jullie waarschijnlijk totaal niet interessant. Maar ik geloof dat jullie een paar kleine dingetjes over het hoofd zien. Want stel nu, dat ik bij dat gedoe een keer uit mijn nieuwe kleren scheur. Strak is tenslotte de mode. Vergoeden jullie dan de schade? En dat zou nog niks zijn, want als dit zo doorgaat kan het niet lang uitblijven voor ik een enkel verzwik of een andere blessure oploop. Betalen jullie dan de kosten van mijn fysiotherapeut? En de diëtiste, die ik dan nodig heb omdat ik niet meer kan sporten?
Overigens hoef ik voor dat laatste niet eens mijn enkels te verzwikken. Als een dolle van die heuvel afrennen, dat klinkt misschien makkelijk, maar heb je het eens geprobeerd? Nee hè? Geloof me maar, als ik nog een paar jaar zo door moet gaan zijn mijn enkels zo ver in elkaar gezakt dat ik vijf centimeter korter ben. Een kwestie van tijd dus, voor de rekening op jullie deurmat ligt.
En dan nog het feit dat ik dankzij deze onzin een half uur later thuis kom dan ik zou willen. Dat is dus een half uur van mijn nachtrust af, óf ik zou de volgende ochtend een half uur langer moeten slapen. Dat gaat dan wel van mijn werktijd af. Maar vooruit, dat geeft niet, als jullie dat half uur loon – bruto – netjes vergoeden.
Trouwens, stel nou dat ik een sollicitatie heb. En daar dan een half uur te laat aankom, met een halve rok aan en zwikkend op mijn hakken, wallen onder mijn ogen. Dan word ik waarschijnlijk niet aangenomen, wel? Betalen jullie mijn uitkering?
Duur? Vrees niet, ik ben nog niet door mijn opties heen. Denk je eens in: een winkeldiefstal op het station. En daar zien ze mij dan in volle vaart naar het andere spoor rennen. Vluchten met de trein, dat is ook in, wist je dat? Daar gaan ze natuurlijk achteraan. Ik mis mijn trein en hopla, kan gelijk een nacht de cel in. Of ik kom weg met een boete misschien; ik voel weer een rekening op jullie mat aankomen. Maarja, de politie is niet het enige wat eventueel achter mij aan zou kunnen komen. Moordenaars, verkrachters, als die trein voor mijn neus wegrijdt zit ik als een rat in de val. Wil je dat soms op je geweten hebben? Er eens over nagedacht wat een rechtszaak kost? Psycholoog? Forensisch onderzoek? Of een begrafenis?
Nu denk je misschien dat ik overdrijf, maar de kans op een begrafenis lijkt mij vrij reeël. Enig idee hoe mijn hart tekeer gaat als ik weer voor de deur van de trein sta te wachten, en die voor de zoveelste maal tergend langzaam en nét iets te laat het station binnenrijdt? Mocht er ooit eens iemand met een hartaanval door de deur naar buiten vallen en ter plekke komen te overlijden dan weet je bij dezen hoe het komt. Een zwartgelakte kist graag, en veel bloemen.
Of doe anders toch maar een fatsoenlijke aansluiting, dat is voor jullie waarschijnlijk ook fijner. Goedkoper zo u wilt.
Een fotoboek op tafel haalt herinneringen op. Herinneringen aan het land waar ik verliefd op werd. In lieve letters staat het op papier gedrukt: Oslo. Øvre moen, Hemsedal, Veslehødn, Grytenuten, Flåmsbana. Een zachte taal, ik versta het amper maar kan er uren naar luisteren.
Zo zacht als de taal is het landschap. Als een voorzichtig gladgestreken wollen deken. Bíjna glad. De heuvels die bergen zijn, de bomen, de bloemen, je voeten in het veen, de fjorden. Watervallen. Watervallen van pracht, maar ook watervallen van water, of beide, en ze leiden je naar de zee. De rotspartijen nu eens gehuld in mist, dan weer de kroon op de zoveelste zonsondergang die niet op de vorige lijkt. De maan boven de hoogste top en de inkt die dat plat op het papier vertelt. Noorwegen is alleen zoals Noorwegen en ooit moet ik daar naar terug.